ECLI:NL:RBAMS:2023:5068
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugvordering AOW-pensioen wegens detentie in Duitsland
Eiser ontving AOW-pensioen sinds augustus 2021. Na bericht van detentie in Duitsland vanaf 15 februari 2022 beëindigde verweerder het pensioen met ingang van april 2022 en vorderde het te veel betaalde bedrag terug. Eiser stelde dat de Nederlandse wet geen rekening houdt met de situatie dat hij tijdens detentie in Duitsland moest betalen voor kost en inwoning en dat toepassing van artikel 8b AOW onevenredig is.
De rechtbank overwoog dat artikel 8b, tweede lid, AOW dwingendrechtelijk bepaalt dat het recht op AOW-pensioen eindigt bij detentie van minstens een maand, ongeacht het land. De wetgever wilde dubbele kosten voorkomen en hield rekening met kost en inwoning die niet voor rekening van de gedetineerde komen. De situatie van eiser, die wel moest betalen voor kost en inwoning, wijkt af van de wetsgeschiedenis, maar dit leidt niet tot toepassing van het evenredigheidsbeginsel.
Eiser had gedurende detentie een positief saldo doordat hij werkte en kosten kon compenseren. Er waren geen dringende redenen om van terugvordering af te zien. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de terugvordering van het te veel betaalde pensioen over de periode april tot en met juli 2022.
Uitkomst: Het beroep tegen de terugvordering van AOW-pensioen wegens detentie in Duitsland wordt ongegrond verklaard.