ECLI:NL:RVS:2023:3968
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling internationale bescherming en interstatelijk vertrouwensbeginsel bij Bulgaarse verblijfsstatus
Een Syrisch gezin met twee kinderen had in Bulgarije internationale bescherming gekregen en daarna asiel aangevraagd in Denemarken en Nederland. De staatssecretaris verklaarde hun asielaanvragen niet-ontvankelijk omdat zij in Bulgarije al bescherming hadden. De vreemdelingen voerden aan dat zij geen bescherming meer genieten vanwege verlopen verblijfsdocumenten en nieuwe Bulgaarse wetgeving die intrekking mogelijk maakt.
De rechtbank stelde dat onduidelijk was of de bescherming nog gold, maar de Raad van State oordeelde dat het niet verlengen van verblijfsdocumenten niet automatisch leidt tot intrekking van de bescherming. De Bulgaarse autoriteiten starten pas na een langere periode een intrekkingsprocedure, waarbij de statushouder wordt geïnformeerd en kan reageren.
De Raad bevestigde dat de staatssecretaris mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat de vreemdelingen onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat hun bescherming in Bulgarije is beëindigd. Ook oordeelde de Raad dat de vreemdelingen geen reëel risico lopen op schending van fundamentele rechten bij terugkeer naar Bulgarije, ondanks de problematische situatie voor statushouders daar.
De Raad vernietigde de eerdere uitspraken van de rechtbank en verklaarde de beroepen van de vreemdelingen ongegrond.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt de uitspraken van de rechtbank en verklaart de beroepen van de vreemdelingen ongegrond, waarbij de geldigheid van hun Bulgaarse internationale bescherming wordt bevestigd.