ECLI:NL:RVS:2023:3965
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid asielaanvragen wegens Bulgaarse internationale bescherming ondanks nieuwe Bulgaarse wetgeving
De vreemdelingen, Syrische nationaliteit, vroegen asiel aan in Nederland, maar de staatssecretaris verklaarde hun aanvragen niet-ontvankelijk omdat zij internationale bescherming in Bulgarije hadden gekregen. Zij hadden hun Bulgaarse verblijfsdocumenten tijdens hun reis naar Nederland weggegooid en vreesden dat zij hun bescherming in Bulgarije zouden verliezen vanwege nieuwe Bulgaarse wetgeving die intrekking van bescherming mogelijk maakt bij niet-tijdige vervanging van documenten.
De Afdeling bestuursrechtspraak onderzocht of de staatssecretaris nog mocht uitgaan van het bestaan van internationale bescherming in Bulgarije, gelet op artikel 42, vijfde lid, van de Bulgaarse Asylum and Refugees Act. Uit de toelichting blijkt dat het niet verlengen of vervangen van verblijfsdocumenten niet automatisch leidt tot intrekking van bescherming, maar slechts tot een mogelijke intrekkingsprocedure. De Bulgaarse autoriteiten starten deze procedure pas na een langere termijn en informeren de statushouder vooraf.
De vreemdelingen hebben een subsidiaire beschermingsstatus met documenten geldig tot respectievelijk november 2023 en augustus 2024. Omdat deze termijnen nog niet zijn verstreken, mocht de staatssecretaris aannemen dat de bescherming nog geldt. De vreemdelingen kunnen hun documenten in Bulgarije vervangen en, indien een intrekkingsprocedure wordt gestart, daartegen procederen.
Verder stelde de Afdeling vast dat de rechtbank terecht geen expliciete belangenafweging van de kinderen maakte, omdat niet was gebleken dat hulp in Bulgarije was gevraagd en geweigerd. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvragen wordt bevestigd.