ECLI:NL:RVS:2023:1483
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke toetsing intrekking verblijfsvergunning en terugkeerbesluit bij tbs-maatregel
De vreemdeling, met Surinaamse nationaliteit en sinds 1996 in Nederland verblijvend, kreeg in 2016 een tbs-maatregel opgelegd die sindsdien meerdere malen is verlengd. De staatssecretaris trok zijn verblijfsvergunning in, wees een nieuwe aanvraag af, vaardigde een terugkeerbesluit en inreisverbod uit. De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris ten onrechte geen rekening hield met de negatieve gevolgen van deze besluiten voor de tbs-behandeling en repatriëring.
De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt dit oordeel en benadrukt dat het doel van de tbs-maatregel verandert bij onrechtmatig verblijf: van veilige terugkeer naar veilige repatriëring. Overdracht van de tbs-maatregel aan Suriname is praktisch onmogelijk, waardoor repatriëring pas na beëindiging van de tbs-maatregel mogelijk is. Echter, de vreemdeling werd door het besluit teruggeplaatst in een beveiligde tbs-omgeving zonder resocialisatieverlof, waardoor de behandeling stilviel en repatriëring onmogelijk werd.
De staatssecretaris voerde onder meer aan dat de strafrechter over repatriëring gaat en dat de rechtbank het vertrouwensbeginsel onjuist had beoordeeld, maar deze grieven werden verworpen. De Afdeling bepaalt dat de staatssecretaris bij een nieuw besluit de voorzienbare gevolgen voor de tbs-behandeling en repatriëring moet betrekken. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.