Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2020:2899

Raad van State

Datum uitspraak
9 december 2020
Publicatiedatum
9 december 2020
Zaaknummer
202003776/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awbartikel 91 Vw 2000Terugkeerrichtlijn Pb 2008 L 348
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking verblijfsvergunning tijdens tbs-maatregel na toetsing evenredigheidsbeginsel

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid trok op 2 oktober 2018 de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van de vreemdeling in. De vreemdeling maakte bezwaar, dat werd afgewezen, waarna hij beroep instelde bij de rechtbank. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, maar handhaafde de rechtsgevolgen van het besluit. De vreemdeling ging hiertegen in hoger beroep bij de Raad van State.

De Raad van State overwoog dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat het beëindigen van rechtmatig verblijf tijdens de tenuitvoerlegging van een tbs-maatregel niet onder de verantwoordelijkheid van de vreemdelingenrechter valt, maar van de strafrechter. De staatssecretaris hoefde daarom niet te beoordelen of het ontbreken van verlofaanvraag leidt tot het ontbreken van zicht op vrijlating.

De Raad verwierp het betoog van de vreemdeling dat de Terugkeerrichtlijn en het arrest van het Hof van Justitie van 2015 dit anders zouden maken. De Raad stelde vast dat de staatssecretaris de evenredigheidsbeoordeling in deze verblijfsrechtelijke procedure niet hoefde te baseren op het al dan niet verlenen van verlof door de strafrechter.

De overige aangevoerde gronden leidden niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De Raad verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de intrekking van de verblijfsvergunning en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

202003776/1/V3.
Datum uitspraak: 9 december 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 11 juni 2020 in zaak nr. 19/3774 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 2 oktober 2018 heeft de staatssecretaris de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken.
Bij besluit van 17 april 2019 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 11 juni 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand blijven.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.F. Wijngaarden, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.    De rechtbank heeft de door de vreemdeling opgeworpen rechtsvraag over het beëindigen van rechtmatig verblijf tijdens de tenuitvoerlegging van een tbs-maatregel terecht, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 20 september 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX9264, beantwoord. Het betoog van de vreemdeling dat deze uitspraak niet van toepassing is omdat hierin een oordeel wordt gegeven over een periode voordat de Terugkeerrichtlijn (Pb 2008 L 348) toepasbaar was en het arrest van 11 juni 2015, Z. Zh. en I.O., ECLI:EU:C:2015:377, door het Hof van Justitie was gewezen, faalt. Hoewel uit die richtlijn en dat arrest volgt dat bij alle stappen in de terugkeerprocedure aan het evenredigheidsbeginsel moet worden getoetst, maakt dit niet dat de staatssecretaris moest ingaan op de vraag of een afwijzing van een verlofaanvraag leidt tot het ontbreken van zicht op vrijlating. Zoals namelijk volgt uit de uitspraak van 20 september 2012 en de uitspraak van de Afdeling van 15 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:4007, valt die beoordeling niet onder de verantwoordelijkheid van de vreemdelingenrechter maar van de strafrechter die immers over de tbs-maatregel oordeelt. Dat aan de vreemdeling mogelijk geen verlof wordt verleend, is dus een omstandigheid die de staatssecretaris niet bij de evenredigheidsbeoordeling in deze verblijfsrechtelijke procedure kon betrekken.
2.    Wat de vreemdeling verder heeft aangevoerd, leidt evenmin tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Schippers, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Schippers
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 december 2020
765-907.