ECLI:NL:RVS:2020:2899
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- H. Troostwijk
- B. Meijer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking verblijfsvergunning tijdens tbs-maatregel na toetsing evenredigheidsbeginsel
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid trok op 2 oktober 2018 de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van de vreemdeling in. De vreemdeling maakte bezwaar, dat werd afgewezen, waarna hij beroep instelde bij de rechtbank. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, maar handhaafde de rechtsgevolgen van het besluit. De vreemdeling ging hiertegen in hoger beroep bij de Raad van State.
De Raad van State overwoog dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat het beëindigen van rechtmatig verblijf tijdens de tenuitvoerlegging van een tbs-maatregel niet onder de verantwoordelijkheid van de vreemdelingenrechter valt, maar van de strafrechter. De staatssecretaris hoefde daarom niet te beoordelen of het ontbreken van verlofaanvraag leidt tot het ontbreken van zicht op vrijlating.
De Raad verwierp het betoog van de vreemdeling dat de Terugkeerrichtlijn en het arrest van het Hof van Justitie van 2015 dit anders zouden maken. De Raad stelde vast dat de staatssecretaris de evenredigheidsbeoordeling in deze verblijfsrechtelijke procedure niet hoefde te baseren op het al dan niet verlenen van verlof door de strafrechter.
De overige aangevoerde gronden leidden niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De Raad verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de intrekking van de verblijfsvergunning en verklaart het hoger beroep ongegrond.