ECLI:NL:RVS:2022:920
Raad van State
- Hoger beroep
- D.A. Verburg
- H.G. Sevenster
- M. Soffers
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wegens niet-toepassing artikel 3.50 Vb 2000
De vreemdeling, geboren in 1999 en met de Russische nationaliteit, vroeg om een zelfstandige verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op humanitaire gronden, los van zijn stiefvader die de Letse nationaliteit bezit. De staatssecretaris wees deze aanvraag af omdat de vreemdeling niet voldeed aan het vereiste van artikel 3.50, eerste lid, Vb 2000, dat een verblijfsvergunning regulier vereist.
De vreemdeling stelde dat deze eis discriminerend is en in strijd met het non-discriminatiebeginsel, artikel 24 van Pro de Verblijfsrichtlijn en de artikelen 8 en 14 EVRM, omdat hij als derdelander-gezinslid van een Unieburger benadeeld zou worden ten opzichte van andere derdelander-gezinsleden.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat artikel 3.50 Vb 2000 terecht niet op de vreemdeling van toepassing is en dat hij zich niet in een vergelijkbare situatie bevindt met de personen met wie hij zich vergelijkt. Dit volgt uit de verschillende doelstellingen en rechtsgronden van de Verblijfsrichtlijn en de Gezinsherenigingsrichtlijn, zoals bevestigd in het arrest X van het Hof van Justitie. Daarom is er geen sprake van discriminatie en is het beroep ongegrond.
De Afdeling bevestigde het vonnis van de rechtbank en wees het hoger beroep af. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van zijn aanvraag verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt bevestigd.