ECLI:NL:RVS:2022:928
Raad van State
- Hoger beroep
- D.A. Verburg
- H.G. Sevenster
- M. Soffers
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 26 november 2019 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af. De vreemdeling maakte bezwaar, dat op 19 mei 2020 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen dit besluit op 23 november 2020 eveneens ongegrond. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat het horen in bezwaar niet noodzakelijk was, terwijl de vreemdeling een beroep deed op het non-discriminatiebeginsel in relatie tot artikel 3.50, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000. Dit bezwaar was niet kennelijk ongegrond, waardoor het horen had moeten plaatsvinden. De Afdeling vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 19 mei 2020.
Desondanks liet de Afdeling de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand vanwege definitieve geschilbeslechting, omdat inhoudelijk geen reden was om het besluit onjuist te achten. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van de vreemdeling.
De Afdeling bevestigde hiermee het belang van zorgvuldige behandeling van bezwaren en het naleven van het hoor- en wederhoorprincipe, zeker bij bezwaren die discriminatieclaims bevatten. De procedure werd hersteld zonder dat het oorspronkelijke besluit werd gewijzigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 19 mei 2020 zijn vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand.