ECLI:NL:RVS:2017:1252
Raad van State
- Prejudicieel verzoek
- H.G. Lubberdink
- H.G. Sevenster
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vragen over integratievoorwaarden en intrekking verblijfsvergunning bij gezinshereniging
De zaak betreft twee vreemdelingen, C en A, die een verblijfsvergunning voor verblijf bij echtgenoot hadden en een aanvraag indienden om deze te wijzigen in een verblijfsvergunning voortgezet verblijf. De staatssecretaris wees deze aanvragen af wegens het niet behalen van het inburgeringsexamen en trok de verblijfsvergunningen voor verblijf bij echtgenoot met terugwerkende kracht in. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, waarna hoger beroep werd ingesteld.
De kern van het geschil betreft de vraag of het stellen van integratievoorwaarden, zoals het inburgeringsexamen, verenigbaar is met artikel 15 van Pro de Gezinsherenigingsrichtlijn, en of een intrekking van een verblijfsvergunning met terugwerkende kracht is toegestaan. Daarnaast speelt de vraag vanaf welk moment een autonome verblijfstitel moet worden verleend, met name of dit pas vanaf de datum van aanvraag kan zijn.
De Raad van State overweegt dat artikel 15 van Pro de Gezinsherenigingsrichtlijn ook van toepassing is op gezinsleden van Nederlandse gezinsherenigers en dat de uitleg van dit artikel noodzakelijk is voor de beoordeling van de grieven. Er bestaat echter onduidelijkheid over de bevoegdheid van het Hof van Justitie om prejudiciële vragen te beantwoorden in deze context.
Daarom verzoekt de Afdeling het Hof van Justitie om prejudiciële beslissingen over drie vragen: de bevoegdheid van het Hof, de uitleg van artikel 15 met Pro betrekking tot integratievoorwaarden, en de uitleg van artikel 15 over Pro de ingangsdatum van de autonome verblijfstitel. De behandeling van de hoger beroepen wordt geschorst totdat het Hof uitspraak heeft gedaan.
Uitkomst: Behandeling hoger beroepen geschorst in afwachting van prejudiciële beslissing Hof van Justitie over integratievoorwaarden en intrekking verblijfsvergunning.