ECLI:NL:RVS:2023:3529

Raad van State

Datum uitspraak
20 september 2023
Publicatiedatum
20 september 2023
Zaaknummer
202206836/1/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArtikel 91 Vw 2000
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak rechtbank inzake ongewenstverklaring vreemdeling en kostenvergoeding

De vreemdeling had bij de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een verzoek ingediend tot opheffing van zijn ongewenstverklaring, dat op 20 januari 2021 werd afgewezen. Na een bezwaarprocedure die eveneens ongegrond werd verklaard, stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank Den Haag. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit tot afwijzing van het verzoek, maar bepaalde dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven.

De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State, waarbij hij onder meer vergoeding van de door hem gemaakte kosten tijdens de bezwaarprocedure vorderde. De staatssecretaris voerde aan dat de vreemdeling geen belang meer had bij het hoger beroep omdat de ongewenstverklaring inmiddels was opgeheven naar aanleiding van een ander verzoek.

De Raad van State oordeelde echter dat de vreemdeling nog wel degelijk belang heeft bij het hoger beroep vanwege de kostenvergoeding. Desondanks leidde het hoger beroep niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, omdat het hogerberoepschrift geen relevante rechtsvragen bevatte die beantwoording behoefden in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

Daarom verklaarde de Raad van State het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Tevens werd bepaald dat de staatssecretaris geen proceskosten hoeft te vergoeden.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

202206836/1/V2.
Datum uitspraak: 20 september 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 4 november 2022 in zaak nr. 21/4662 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 20 januari 2021 heeft de staatssecretaris een verzoek van de vreemdeling om opheffing van zijn ongewenstverklaring afgewezen.
Bij besluit van 26 juli 2021 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 4 november 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand blijven.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S.C. van Paridon, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris en de vreemdeling hebben nadere stukken ingediend.
Overwegingen
1.       De staatssecretaris betoogt tevergeefs dat de vreemdeling geen belang meer heeft bij het hoger beroep, omdat hij naar aanleiding van een ander verzoek van de vreemdeling de ongewenstverklaring inmiddels heeft opgeheven. De vreemdeling heeft immers tijdens de bezwaarprocedure om vergoeding van de door hem gemaakte kosten in bezwaar verzocht en dit verzoek in beroep en hoger beroep herhaald. Reeds daarom heeft hij belang bij de beoordeling van het hoger beroep. De rechtbank heeft namelijk deze kosten niet vergoed (vergelijk de uitspraak van 30 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:920, onder 1).
2.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N. Tibold, griffier.
w.g. Wissels
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Tibold
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 september 2023
853-1021