ECLI:NL:RVS:2022:3958
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel na intrekking hoger beroep
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 11 augustus 2020 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De rechtbank Den Haag vernietigde bij uitspraak van 15 juli 2021 dit besluit en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moest nemen. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
Nadat het hoger beroep was ingesteld, verleende de staatssecretaris op 22 november 2022 alsnog de verblijfsvergunning aan de vreemdeling. De vreemdeling handhaafde het hoger beroep slechts voor het verzoek om proceskostenvergoeding en trok het overige hoger beroep in.
De Raad van State oordeelde dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is omdat de vreemdeling met de verleende vergunning het doel van de procedure heeft bereikt en onvoldoende belang heeft bij verdere beoordeling. Tevens werd overwogen dat geen aanleiding bestaat om de staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van proceskosten, omdat deze niet aan de vreemdeling is tegemoetgekomen en het belang bij uitspraak niet door toedoen van de staatssecretaris is vervallen.
De Afdeling bestuursrechtspraak verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard omdat de vreemdeling het doel van de procedure heeft bereikt met de verleende verblijfsvergunning.