ECLI:NL:RVS:2023:1584
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- J.Th. Drop
- J.H. van Breda
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens vervallen belang na verlening verblijfsvergunning asiel
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 7 oktober 2021 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit voor zover het ging om de beoordeling van afvalligheid en het gevaar bij terugkeer naar Iran. De staatssecretaris werd opgedragen een nieuw besluit te nemen.
De vreemdeling stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank. Tijdens de procedure gaf de staatssecretaris aan dat bij besluit van 29 november 2022 alsnog een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan de vreemdeling was verleend. Hierdoor was het doel van de procedure bereikt en het belang van de vreemdeling bij het hoger beroep komen te vervallen.
De Afdeling bestuursrechtspraak heeft vervolgens overwogen of de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten moest worden veroordeeld. Dit werd afgewezen omdat de verlening van de vergunning was ingegeven door de uitspraak van de rechtbank en niet door tegemoetkoming aan de gronden van het hoger beroep.
Daarom verklaarde de Afdeling het hoger beroep niet-ontvankelijk en wees zij de vordering tot proceskostenvergoeding af.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard omdat het belang bij het hoger beroep is vervallen na verlening van de verblijfsvergunning.