ECLI:NL:RVS:2023:3653
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Beslissing over proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep in vreemdelingenzaak
In deze bestuursrechtelijke vreemdelingenzaak heeft zowel de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid als de vreemdeling hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag. De staatssecretaris trok zijn hoger beroep bij brief van 12 juli 2023 in, waarna de vreemdeling eveneens zijn hoger beroep introk en verzocht om proceskostenveroordeling van de staatssecretaris.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de staatssecretaris niet tegemoet is gekomen aan de vorderingen van de vreemdeling, aangezien het terugdraaien van de intrekking van de verblijfsvergunning asiel voortvloeit uit een opdracht van de rechtbank en niet uit een toegeving aan het hoger beroep van de vreemdeling. Daarom werd het verzoek van de vreemdeling om proceskostenveroordeling afgewezen.
Tegelijkertijd oordeelde de Afdeling dat de staatssecretaris, die zijn hoger beroep had ingetrokken nadat de vreemdeling kosten had gemaakt voor een schriftelijke uiteenzetting, deze proceskosten moet vergoeden conform artikel 8:118 van Pro de Awb. De staatssecretaris werd veroordeeld tot betaling van €837,00 aan proceskosten, welke geheel toe te rekenen zijn aan professionele rechtsbijstand.
De uitspraak werd gedaan door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in aanwezigheid van griffier mr. E.L. Iedema, en uitgesproken op 3 oktober 2023.
Uitkomst: Verzoek van de vreemdeling om proceskostenveroordeling afgewezen; staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van €837 aan proceskosten.