ECLI:NL:RVS:2023:1585

Raad van State

Datum uitspraak
21 april 2023
Publicatiedatum
21 april 2023
Zaaknummer
202203738/1/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens vervallen belang na verlening verblijfsvergunning asiel

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 7 oktober 2021 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdeling, tevens namens haar minderjarige kinderen, stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 24 mei 2022 het besluit vernietigde en de staatssecretaris opdroeg een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.

De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in tegen deze uitspraak. De staatssecretaris gaf nadere schriftelijke inlichtingen en de vreemdeling reageerde hierop. Vervolgens gaf de staatssecretaris aan dat hij op 29 november 2022 een nieuw besluit had genomen en de verblijfsvergunning alsnog had verleend.

Omdat de vreemdeling het doel van de procedure heeft bereikt, is het belang bij het hoger beroep komen te vervallen. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk is. Tevens werd overwogen dat geen aanleiding bestaat om de staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van proceskosten, omdat de verlening van de vergunning voortvloeit uit de uitspraak van de rechtbank en niet uit een tegemoetkoming in het hoger beroep.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard omdat de vreemdeling inmiddels een verblijfsvergunning asiel heeft gekregen.

Uitspraak

202203738/1/V2.
Datum uitspraak: 21 april 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling], mede voor haar minderjarige kinderen,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 24 mei 2022 in zaak nr. NL21.16136 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 7 oktober 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 24 mei 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover de staatssecretaris daarin ongeloofwaardig heeft gevonden dat de vreemdeling afvallig is en gevaar loopt bij terugkeer naar Iran vanwege afvalligheid en bekering, en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. L.J. Blijdorp, advocaat te Kedichem, hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een nader stuk ingediend.
De staatssecretaris heeft op verzoek van de Afdeling nadere schriftelijke inlichtingen gegeven. De vreemdeling heeft daarop gereageerd.
Overwegingen
1.       De staatssecretaris heeft de Afdeling laten weten dat hij bij besluit van 29 november 2022 opnieuw op de aanvraag van de vreemdeling heeft beslist en dat hij de vreemdeling alsnog een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft verleend. Daarmee heeft de vreemdeling het doel van de procedure bereikt. Daarom heeft de vreemdeling geen belang bij de beoordeling van het hoger beroep.
2.       Niettemin moet worden bezien of de staatssecretaris met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb tot vergoeding van de proceskosten moet worden veroordeeld. Daarvoor kan aanleiding bestaan als hij aan de vreemdeling tegemoet is gekomen of als het belang bij een uitspraak op het hoger beroep anderszins door zijn toedoen is vervallen (uitspraak van 5 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1855). De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat de inwilliging van de aanvraag is ingegeven door de uitspraak van de rechtbank waarbij hem is opgedragen een nieuw besluit te nemen. De Afdeling ziet daarin aanleiding voor het oordeel dat niet is gebleken dat de staatssecretaris is tegemoetgekomen aan wat de vreemdeling heeft aangevoerd in hoger beroep. Het hoger beroep is immers juist gericht tegen delen van de uitspraak van de rechtbank die niet ten grondslag lagen aan de opdracht om een nieuw besluit te nemen. Daarom bestaat geen aanleiding om de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep te veroordelen (uitspraak van de Afdeling van 27 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3958).
3.       Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. J.H. van Breda, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.C. Lodeweges, griffier.
w.g. Steendijk
voorzitter
w.g. Lodeweges
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2023
625