ECLI:NL:RVS:2022:2719
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging gezamenlijke dwangsom aan vreemdelingen bij asielaanvragen
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde bij besluit van 14 januari 2021 vast dat hij aan twee vreemdelingen gezamenlijk een dwangsom van € 1.442,00 verschuldigd was. De vreemdelingen, broers die samen Nederland waren binnengekomen en gelijktijdig asielaanvragen hadden ingediend met dezelfde motieven, stelden beroep in tegen dit besluit bij de rechtbank Den Haag. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de gezamenlijke dwangsom.
De vreemdelingen gingen hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hogerberoepschrift bevatte geen nieuwe vragen die relevant waren voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of algemene rechtsbescherming, zodat het hoger beroep niet tot vernietiging van het vonnis kon leiden.
De Afdeling bevestigde dat de asielaanvragen inhoudelijk zo met elkaar samenhangen dat het bestuursorgaan terecht één gezamenlijke dwangsom is opgelegd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de staatssecretaris werd niet verplicht proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de gezamenlijke dwangsom blijft van kracht.