ECLI:NL:RVS:2022:234
Raad van State
- Hoger beroep
- A. ten Veen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen wijziging tenaamstelling natuurvergunning na overdracht eigendom
Appellant exploiteerde een agrarisch bedrijf en had een natuurvergunning voor het houden van pluimvee en paarden. Na verkoop van het bedrijf en overdracht van eigendom aan de gemeente Assen, wijzigde het college van gedeputeerde staten de tenaamstelling van de natuurvergunning naar de gemeente. Appellant maakte bezwaar tegen deze wijziging omdat hij meende dat de vergunning een waarde vertegenwoordigde en hij als gebruiker belang behield.
De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat appellant geen belang meer had na het vervallen van zijn gebruiksrecht per 1 mei 2020. Appellant stelde dat de vergunning niet zaaksgebonden was en dat hij schade leed door het besluit. De Afdeling oordeelde dat de vergunning wel zaaksgebonden is en dat appellant geen stikstofrechten persoonlijk bezit. Bovendien was het gebruiksrecht na 1 mei 2020 vervallen, waardoor appellant geen belang meer had bij het beroep.
De Afdeling stelde vast dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij schade had geleden door de wijziging van de tenaamstelling. De verwijzing naar rechtspraak over fosfaatrechten was niet relevant omdat stikstofrechten niet aan de vergunninghouder toekomen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkheid van het beroep bevestigd.