ECLI:NL:RVS:2021:2870
Raad van State
- Hoger beroep
- D.A. Verburg
- E. Steendijk
- B. Meijer
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtmatigheid vrijheidsontnemende maatregel in grensprocedure vreemdeling
De zaak betreft een vreemdeling die op 21 juli 2021 bij de buitengrens van Nederland werd aangetroffen en een verzoek om internationale bescherming indiende. De staatssecretaris legde hem een vrijheidsontnemende maatregel op in het kader van de grensprocedure. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en oordeelde dat de maatregel onrechtmatig was vanaf het moment dat uit Eurodac bleek dat de vreemdeling een verblijfsstatus in Cyprus had.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in en betoogde dat de grensprocedure juist bedoeld is om de ontvankelijkheid van het asielverzoek te beoordelen en dat de maatregel op grond van artikel 6, derde lid, Vw 2000 rechtmatig kon worden gehandhaafd zolang de procedure voortduurde. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de maatregel onrechtmatig was en dat de inhoudelijke beoordeling van het asielverzoek niet thuishoort in de procedure tegen de vrijheidsontnemende maatregel.
Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en de staatssecretaris werd veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van €500 over de periode van 5 tot en met 9 augustus 2021, alsmede proceskosten. De Afdeling benadrukte dat klachten over de inhoudelijke behandeling van het asielverzoek in de grensprocedure elders aan de orde kunnen komen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en een beperkte schadevergoeding toegekend.