ECLI:NL:RBZWB:2022:2014
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking toestemming beveiligingswerkzaamheden wegens rijden onder invloed
Eiser kreeg in 2019 toestemming van de korpschef om beveiligingswerkzaamheden te verrichten. Op 4 december 2020 werd hij aangehouden wegens rijden onder invloed met een ademalcoholgehalte van 820 µg/l. De korpschef trok daarop de toestemming in en verklaarde het bezwaar van eiser ongegrond. Eiser voerde aan dat de omstandigheden rondom zijn ex-partner en de zorg voor hun minderjarige dochter tot een hevige gemoedstoestand leidden, waardoor hij niet betrouwbaar zou zijn.
De rechtbank oordeelde dat de korpschef terecht de betrouwbaarheid van eiser in twijfel trok, gezien het misdrijf en het gedrag tijdens de aanhouding. De hoge eisen aan beveiligingsmedewerkers en het belang van een goede naam van de branche rechtvaardigen de intrekking. Financiële belangen van eiser en persoonlijke omstandigheden wegen niet zwaarder dan het belang van veiligheid en betrouwbaarheid.
Het beroep van eiser wordt daarom ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de toestemming voor beveiligingswerkzaamheden wordt ongegrond verklaard.