ECLI:NL:RVS:2021:2058
Raad van State
- Hoger beroep
- D.A. Verburg
- J.Th. Drop
- H.J.M. Baldinger
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat zoon niet valt onder uitzondering Afsluitingsregeling langdurig verblijvende kinderen
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees de aanvraag van een gezin met Armeense nationaliteit om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af, omdat de zoon, als hoofdpersoon, geen asielaanvraag had ingediend en na afronding van de asielprocedure van zijn ouders was geboren.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris de Afsluitingsregeling te restrictief uitlegde en dat het kind onder de uitzondering viel, omdat de regeling alleen vereist dat het kind na de start van de asielprocedure is geboren, niet noodzakelijkerwijs tijdens de procedure.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in en voerde aan dat de regeling bedoeld is voor kinderen met een asielachtergrond, die vóór afloop van de asielprocedure van de ouder zijn geboren. De Raad van State oordeelde dat de tekst van de regeling en het beleid dit standpunt ondersteunen en dat de rechtbank ten onrechte een ruimere uitleg had gegeven.
Het incidenteel hoger beroep van de vreemdelingen, gericht op het gelijkheidsbeginsel, werd ongegrond verklaard omdat vermeende gelijke gevallen vaak berusten op ambtelijke misslagen of niet vergelijkbaar zijn.
De Raad van State vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdelingen ongegrond, waarmee de afwijzing van de aanvraag door de staatssecretaris standhoudt.
Uitkomst: De aanvraag verblijfsvergunning van de zoon wordt afgewezen omdat hij niet voldoet aan de voorwaarde dat hij tijdens de asielprocedure van zijn ouders is geboren.