ECLI:NL:RVS:2020:3139
Raad van State
- Hoger beroep
- G.T.J.M. Jurgens
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank wegens onterechte ontvankelijkheid belanghebbenden in ligplaatsvergunningzaak
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam verleende op 21 december 2017 ligplaats- en vervangingsvergunningen aan vergunninghouder A en B voor het bedrijfsvaartuig 'vaartuig A', inclusief een ontheffing voor gedeeltelijk wonen daarop. Appellant A en B maakten bezwaar tegen deze besluiten, maar werden door het college en de rechtbank als ontvankelijk belanghebbenden aangemerkt.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat appellant A en B ten onrechte als belanghebbenden zijn aangemerkt. Hoewel appellant A zicht zou hebben op 'vaartuig A' en de afstand tussen de ligplaatsen ongeveer 140 meter bedraagt, acht de Afdeling dit onvoldoende om van gevolgen van enige betekenis te spreken gezien de aard van de vergunde activiteiten. Ook appellant B werd ten onrechte als belanghebbende gezien, mede omdat hij geen eigenaar is van het schip 'vaartuig C'.
Daarnaast oordeelt de Afdeling dat het college geen dwangsom verschuldigd is wegens niet tijdig beslissen, omdat appellant A en B geen belanghebbenden zijn in de bezwarenprocedure. De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het college van 3 juli 2018 voor zover het college appellant A en B ontvankelijk heeft geacht. Appellant A en B worden niet-ontvankelijk verklaard in hun bezwaren tegen de besluiten van 21 december 2017, die daarmee in stand blijven.
Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht aan appellant A en B. De uitspraak van de Afdeling treedt in de plaats van het vernietigde besluit van 3 juli 2018.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, appellant A en B worden niet-ontvankelijk verklaard in hun bezwaren en de besluiten van 21 december 2017 blijven in stand.