ECLI:NL:RVS:2020:2398
Raad van State
- Hoger beroep
- J.J. van Eck
- H. Troostwijk
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake intrekking verblijfsvergunning studie
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid trok op 14 december 2018 de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd van de vreemdeling in, omdat deze niet langer stond ingeschreven bij een erkende onderwijsinstelling. De vreemdeling had zijn studie afgerond aan de Hogeschool Arnhem en Nijmegen en was later ingeschreven aan de Universiteit van Tilburg (UvT). De UvT stelde zich echter pas op 2 januari 2019 als referent, wat te laat was volgens de wettelijke termijn van vier weken.
De rechtbank oordeelde aanvankelijk dat de intrekking onterecht was omdat de vreemdeling feitelijk studeerde aan een erkende instelling. De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigde deze uitspraak omdat de vereiste tijdige melding door de nieuwe referent ontbrak, waardoor de staatssecretaris bevoegd was de vergunning in te trekken.
De vreemdeling voerde aan dat de intrekking in strijd was met het evenredigheidsbeginsel van het Unierecht, omdat hij per 1 september 2018 studeerde en over voldoende middelen beschikte. Dit beroep werd echter verworpen omdat de omstandigheden onvoldoende waren om af te zien van intrekking en de vreemdeling later opnieuw een verblijfsvergunning kreeg.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond.
Uitkomst: De intrekking van de verblijfsvergunning is terecht, het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard.