ECLI:NL:RVS:2018:173
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- A.B.M. Hent
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking verblijfsvergunning kennismigrant wegens onjuiste referenttoekenning
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid trok op 18 februari 2016 de verblijfsvergunning van een vreemdeling in, omdat zij per 15 januari 2015 in dienst trad bij een onderneming die niet als referent erkend was volgens de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank oordeelde dat de intrekking onterecht was, omdat de vreemdeling feitelijk dezelfde werkzaamheden bleef verrichten onder dezelfde leidinggevende en op dezelfde locatie.
De staatssecretaris stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte betekenis gaf aan deze omstandigheden en dat de vreemdeling niet meer werkzaam was bij een erkende referent. De Raad van State bevestigde dit standpunt en oordeelde dat de vreemdeling niet voldeed aan de voorwaarden van haar verblijfsvergunning, omdat de nieuwe werkgever geen erkend referent was.
De Raad van State vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond. Het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De Raad oordeelde tevens dat het beleid van de staatssecretaris omtrent erkenning van referenten niet onredelijk is en dat de vreemdeling niet onrechtmatig is behandeld.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard en de intrekking van de verblijfsvergunning bevestigd.