ECLI:NL:RBDHA:2023:19035
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking verblijfsvergunning studie wegens onvoldoende studievoortgang
Eiser, een student van Saoedische nationaliteit, kreeg een verblijfsvergunning voor studie verleend in 2015. Deze vergunning werd ingetrokken per 1 september 2020 wegens onvoldoende studievoortgang, nadat de Rijksuniversiteit Groningen (RUG) hem had afgemeld.
Eiser maakte bezwaar tegen de intrekking en de afwijzing van zijn nieuwe aanvraag voor een verblijfsvergunning. De rechtbank stelde in een eerdere uitspraak vast dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd, waarna een nieuw besluit werd genomen dat de intrekking handhaafde.
De rechtbank oordeelt dat de beoordeling van de studievoortgang bij de onderwijsinstelling ligt en dat eiser niet heeft aangetoond dat de afmelding onterecht was. De intrekking met terugwerkende kracht is toegestaan omdat eiser vanaf de datum van afmelding niet meer voldeed aan de voorwaarden.
Eiser voerde aan dat de intrekking in strijd was met de Studierichtlijn en het evenredigheidsbeginsel, maar de rechtbank verwierp deze gronden. Ook het beroep op artikel 8 EVRM Pro faalde omdat eiser onvoldoende banden met Nederland had opgebouwd.
De beroepen tegen zowel de intrekking als de afwijzing van de nieuwe aanvraag worden ongegrond verklaard.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen tegen de intrekking en afwijzing van de verblijfsvergunning voor studie ongegrond en handhaaft de besluiten.