ECLI:NL:RVS:2020:197
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek Nederlanderschap wegens onvoldoende bewijs identiteit en nationaliteit
Appellant verzocht om het Nederlanderschap, maar de staatssecretaris wees dit verzoek af omdat appellant zijn identiteit en nationaliteit niet voldoende had aangetoond. Dit oordeel was gebaseerd op een rapport van Bureau Documenten waarin werd geconcludeerd dat het overgelegde paspoort vermoedelijk frauduleus was en de geboorteakte niet betrouwbaar kon worden vastgesteld. Daarnaast ontbrak een verklaring van de Sierra Leoonse autoriteiten ter bevestiging van het paspoort uit 2017.
Appellant voerde aan dat hij een geldig paspoort en originele geboorteakte had overgelegd en dat de taalanalyses die de staatssecretaris gebruikte onzorgvuldig waren omdat ze gebaseerd waren op een oude geluidsopname uit 2006. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde echter dat het aan appellant is om zijn identiteit en nationaliteit aan te tonen en aan de staatssecretaris om te beoordelen of dit met de stukken is gelukt. De deskundigenadviezen van Bureau Documenten en TOELT waren zorgvuldig tot stand gekomen en de conclusies waren begrijpelijk en aannemelijk.
Verder stelde appellant dat de staatssecretaris ten onrechte had afgezien van een hoorzitting in de bezwaarfase. De Afdeling oordeelde dat dit was toegestaan omdat er op voorhand geen redelijke twijfel bestond dat het bezwaar tot een ander besluit zou leiden.
De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het Nederlanderschap wordt bevestigd.