ECLI:NL:RBDHA:2020:6232
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking Nederlanderschap wegens ontoereikende Unierechtelijke evenredigheidsbeoordeling
Eisers, van Iraanse afkomst, kregen in 2007 het Nederlanderschap toegekend na naturalisatie, maar dit werd in 2018 ingetrokken wegens het gebruik van valse identiteitsgegevens bij hun asielaanvraag en naturalisatie. Verweerder stelde dat het intrekken gerechtvaardigd was op grond van artikel 14 RWN Pro en het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel, waarbij het belang van de Nederlandse staat prevaleert boven het behoud van het frauduleus verkregen Nederlanderschap.
Eisers voerden aan dat verweerder onvoldoende rekening had gehouden met hun situatie als EU-burgers die al jaren in Duitsland wonen, werken en een bestaan hebben opgebouwd. Zij stelden dat de intrekking onevenredig is, mede gelet op artikel 3 en Pro 8 EVRM en het arrest Rottmann. De rechtbank constateerde dat verweerder onvoldoende onderzoek had gedaan naar de gevolgen van intrekking voor eisers en hun gezin en dat de motivering van de evenredigheidsbeoordeling ondeugdelijk was.
De rechtbank oordeelde dat verweerder ten onrechte de algemene beginselen van behoorlijk bestuur buiten beschouwing had gelaten en dat het bestreden besluit daarom vernietigd moest worden. Verweerder moet een nieuw besluit nemen met een volledige en gemotiveerde beoordeling van de belangenafweging, inclusief de Unierechtelijke aspecten en beginselen van behoorlijk bestuur.
De rechtbank veroordeelde verweerder tevens in de proceskosten en bepaalde dat het betaalde griffierecht aan eisers wordt vergoed. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap wordt vernietigd wegens onvoldoende onderzoek en motivering van de Unierechtelijke evenredigheidsbeoordeling.