ECLI:NL:RVS:2019:4361
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H. Troostwijk
- C.C.W. Lange
- Rechtspraak.nl
Vaststelling interstatelijk vertrouwensbeginsel bij overdracht asielzoekers aan Tsjechië
De zaak betreft de weigering van de staatssecretaris om asielaanvragen van een Iraanse vrouw en haar minderjarige dochter in behandeling te nemen, omdat Tsjechië volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. De rechtbank had geoordeeld dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd dat bij overdracht geen risico op schending van artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 EU Pro Handvest bestaat.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in en betoogde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt, waardoor het aan de vreemdelingen is om het risico op schending aannemelijk te maken. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de staatssecretaris meer had moeten motiveren, omdat de overgelegde stukken onvoldoende bewijs boden dat de vreemdelingen onrechtmatig zouden worden gedetineerd.
De Raad van State vernietigde de uitspraken van de rechtbank en verklaarde de beroepen van de vreemdelingen ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. Hiermee werd bevestigd dat de staatssecretaris terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel bij overdracht aan Tsjechië.
Uitkomst: De beroepen van de vreemdelingen worden ongegrond verklaard en de uitspraken van de rechtbank vernietigd.