ECLI:NL:RBDHA:2021:4873
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen overdracht asielzoeker aan Tsjechië wegens onvoldoende medische gronden
Eiser, een Armeense asielzoeker, verzocht om een verblijfsvergunning in Nederland. Verweerder stelde vast dat Tsjechië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag op basis van de Dublinverordening. Eiser voerde aan dat Tsjechië zijn asielaanvraag niet zorgvuldig zou behandelen en dat hij vanwege medische omstandigheden niet overgedragen mocht worden. De rechtbank overwoog dat Nederland mag vertrouwen op de naleving van verdragsverplichtingen door Tsjechië en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van ernstige tekortkomingen of een reëel risico op onmenselijke behandeling. Ook achtte de rechtbank de medische voorzieningen in Tsjechië gelijkwaardig en vond geen grond voor toepassing van artikel 17 Dublinverordening Pro. Het beroep werd ongegrond verklaard.
De rechtbank nam mee dat Tsjechië het verzoek tot terugname van de asielaanvraag heeft aanvaard en dat eiser de mogelijkheid heeft om zich te beroepen op hogere Tsjechische instanties en het EHRM bij mogelijke schendingen. De coronapandemie werd niet als reden gezien om de overdracht te weigeren. De rechtbank concludeerde dat de aangevoerde bezwaren onvoldoende waren om Nederland te verplichten de zaak aan zich te trekken.
De uitspraak werd gedaan door rechter G.P. Kleijn en griffier A.E. Maas op 10 mei 2021. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Eiser kan binnen een week hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de overdracht aan Tsjechië wordt ongegrond verklaard.