ECLI:NL:RVS:2019:3900
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking tweede bewonersparkeervergunning wegens overschrijding maximum per adres
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam heeft op 7 december 2018 de tweede bewonersparkeervergunning van appellant ingetrokken omdat voor het woonadres slechts één vergunning is toegestaan. Appellant heeft bezwaar gemaakt en vervolgens beroep ingesteld tegen deze intrekking, waarbij hij onder meer betoogde dat het college niet bevoegd was om het maximum aantal vergunningen per adres te beperken en dat toepassing van de hardheidsclausule noodzakelijk was vanwege mantelzorgsituaties.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. In hoger beroep heeft appellant zijn grondslag op het eerste Protocol bij het EVRM en het Handvest van de grondrechten van de EU ingetrokken. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overweegt dat het college terecht heeft gehandeld binnen de bevoegdheid van de Parkeerverordening 2013 en het Uitwerkingsbesluit, en dat het overschrijden van het maximum aantal vergunningen per adres kan worden aangemerkt als het niet voldoen aan de voorwaarden van de verordening.
De Afdeling wijst het beroep af omdat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de hardheidsclausule van toepassing is, dat er sprake is van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, of dat het vertrouwensbeginsel is geschonden. De intrekking van de tweede vergunning is terecht en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de tweede bewonersparkeervergunning wordt bevestigd.