ECLI:NL:RVS:2017:392
Raad van State
- Hoger beroep
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Herroeping intrekking bewonersparkeervergunning wegens onjuiste toepassing vergunningenplafond
Appellante beschikte sinds november 2010 over een bewonersparkeervergunning voor haar woning in Amsterdam. Het college trok deze vergunning in juli 2015 in, omdat het vergunningenplafond voor het deelvergunninggebied Oost-11b op nul was vastgesteld. Het college baseerde de intrekking op artikel 37, eerste lid, onder c, van de Parkeerverordening 2013.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat zij niet aan de voorwaarden voldeed en dat het college terecht had gehandeld. Appellante stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het vergunningenplafond geen intrekkingsgrond is voor een eerste bewonersparkeervergunning, maar slechts een weigeringsgrond voor nieuwe aanvragen. De intrekking op grond van artikel 37, eerste lid, onder c, was daarom onrechtmatig.
Voorts stelde appellante dat het besluit ook niet kon worden gebaseerd op artikel 37, eerste lid, onder d, omdat de onjuiste vergunningverlening haar niet te verwijten viel. De Afdeling bevestigde dit en vernietigde het besluit van het college en de uitspraak van de rechtbank. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de bewonersparkeervergunning wordt vernietigd en het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.