ECLI:NL:RVS:2019:2844
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- H.J.M. Baldinger
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtmatigheid vreemdelingenbewaring wegens onttrekkingsgevaar
De vreemdeling is op 28 juni 2019 in vreemdelingenbewaring gesteld door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. De rechtbank Den Haag heeft op 9 juli 2019 het beroep van de vreemdeling gegrond verklaard en de bewaring opgeheven, met toekenning van schadevergoeding.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de bewaring onrechtmatig was omdat de motivering van de noodzaak ontbrak. De Afdeling verwijst naar een eerdere uitspraak waarin is vastgesteld dat een deugdelijke motivering van onttrekkingsgevaar ook de noodzaak van bewaring impliceert.
De staatssecretaris baseerde de bewaring op meerdere gronden die wijzen op onttrekkingsgevaar, waarvan de vreemdeling slechts één grond betwistte. De Afdeling concludeert dat het risico op onttrekking voldoende is gemotiveerd en dat de bewaring rechtmatig is. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.
Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling is rechtmatig en het beroep tegen de bewaring wordt ongegrond verklaard.