ECLI:NL:RBDHA:2021:7886
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geen verblijfsrecht voor gemeenschapsonderdaan met zwervend bestaan en overlast
Eiser, een Poolse gemeenschapsonderdaan, verbleef circa 3,5 jaar in Nederland zonder vast adres, zonder ziektekostenverzekering en zonder inschrijving bij de GBA. Hij had geen middelen van bestaan en verrichtte geen arbeid, noch kon hij aantonen dat hij werkzoekende was. Verweerder stelde op basis van politieonderzoek vast dat eiser geen rechtmatig verblijf had volgens de Verblijfsrichtlijn en verklaarde het bezwaar ongegrond.
Eiser voerde aan dat hij geen onredelijke belasting vormde voor het sociale bijstandsstelsel, dat het onderzoek naar zijn verblijfsrecht onrechtmatig was en dat verweerder ten onrechte de voorwaarde van voldoende middelen van bestaan hanteerde. De rechtbank oordeelde dat het onderzoek rechtmatig was vanwege het zwervend bestaan en eerdere politiecontacten wegens diefstal en overlast. De voorwaarde van voldoende middelen van bestaan is conform het Unierecht terecht gesteld en de bewijslast hiervoor ligt bij eiser.
De rechtbank stelde dat eiser niet voldeed aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf omdat hij geen arbeid verrichtte, niet aantoonde werkzoekende te zijn en geen middelen van bestaan had. De belangenafweging door verweerder, waarbij het belang van de Nederlandse staat om strafbare feiten en overlast te voorkomen zwaarder woog, was deugdelijk gemotiveerd. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het besluit dat hij geen rechtmatig verblijf heeft, blijft in stand.