ECLI:NL:RVS:2019:218
Raad van State
- Hoger beroep
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake niet in behandeling nemen aanvraag verblijfsvergunning asiel
Bij besluit van 30 oktober 2018 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van een vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die het beroep gegrond verklaarde, het besluit vernietigde en de staatssecretaris opdroeg een nieuw besluit te nemen.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling overwoog dat de enige grief over het interstatelijke vertrouwensbeginsel slaagt, verwijzend naar een eerdere uitspraak van 19 december 2018. Hierdoor werd het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.
De Afdeling oordeelde verder dat het beroep van de vreemdeling tegen het oorspronkelijke besluit van 30 oktober 2018 ongegrond is, omdat de overige beroepsgronden niet in hoger beroep aan de orde zijn gesteld. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd op 28 januari 2019 in het openbaar uitgesproken door de enkelvoudige kamer.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen het besluit om de aanvraag verblijfsvergunning niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.