ECLI:NL:RVS:2018:3831
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing urgentieverklaring wegens onvoldoende urgent huisvestingsprobleem
De appellant heeft een urgentieverklaring aangevraagd vanwege ernstige vocht- en schimmelproblemen in zijn woning, die medische klachten bij zijn dochter veroorzaken. Het college wees de aanvraag af op advies van de GGD-arts, die stelde dat er nog behandelopties openstaan en dat aanvullende maatregelen in de woning mogelijk zijn.
De rechtbank oordeelde dat het college terecht de aanvraag heeft afgewezen op grond van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2016, omdat geen sprake is van een urgent huisvestingsprobleem. De appellant stelde dat de medische advisering ondeugdelijk was en dat het belang van het kind onvoldoende was meegewogen, maar deze bezwaren werden verworpen.
De Raad van State bevestigt dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat geen urgentie bestond, dat de adviezen van de GGD-arts inzichtelijk en deugdelijk waren en dat de hardheidsclausule niet van toepassing is. Het beroep op artikel 3 van Pro het IVRK leidt niet tot een ander oordeel omdat het bestuursorgaan voldoende rekening heeft gehouden met het belang van het kind.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De afwijzing van de urgentieverklaring wordt bevestigd wegens het ontbreken van een urgent huisvestingsprobleem.