ECLI:NL:RBROT:2022:3651
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing urgentieverklaring ondanks gedeelde slaapkamer kinderen
Eiseres woonde met haar twee kinderen in een woning waar de kinderen een slaapkamer deelden en in hetzelfde bed sliepen. Zij vroeg een urgentieverklaring aan op grond van de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2020, maar deze werd afgewezen omdat zij niet voldeed aan de urgentiegronden en er geen aanleiding was de hardheidsclausule toe te passen.
Eiseres stelde dat de situatie stress en ontwikkelingsproblemen veroorzaakte en dat het besluit in strijd was met diverse nationale en internationale rechtsnormen, waaronder het IVRK, ESH, EVRM en de Grondwet. De rechtbank oordeelde dat de Verordening rekening houdt met de situatie van gedeelde slaapkamers en dat eiseres niet aannemelijk had gemaakt dat er sprake was van een schrijnende situatie.
De rechtbank verwierp het beroep op hogere rechtsnormen omdat deze geen directe werking hebben of niet leiden tot een positieve verplichting tot toewijzing van de urgentieverklaring. Ook de hardheidsclausule werd terecht niet toegepast omdat geen bijzondere, onvoorziene omstandigheden waren aangetoond.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de urgentieverklaring wordt ongegrond verklaard.