ECLI:NL:RVS:2018:3817
Raad van State
- Hoger beroep
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtmatigheid opschorting inschrijving in basisregistratie personen wegens vertrek uit Nederland
Appellant werd door het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad uitgeschreven uit de basisregistratie personen (brp) per 19 december 2016 vanwege zijn vertrek uit Nederland, nadat een hennepkwekerij in zijn voormalige woning was aangetroffen en hij niet meer op dat adres woonde.
Appellant voerde aan dat hij in Amsterdam woonde en een briefadres had, en dat het college geen gedegen onderzoek had gedaan naar zijn verblijfplaats. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat appellant inmiddels een briefadres had en geen belang meer zou hebben bij de beoordeling.
De Raad van State oordeelt dat appellant wel degelijk belang had bij behandeling van zijn beroep omdat de inschrijving in de brp gevolgen heeft voor onder meer de opbouw van zijn AOW-uitkering. Het college had geen beleidsruimte bij toepassing van artikel 2.22 Wet brp en mocht de inschrijving opschorten omdat geen juiste woonplaats kon worden vastgesteld.
De Raad van State vernietigt het vonnis van de rechtbank, verklaart het beroep ongegrond en veroordeelt het college tot vergoeding van proceskosten en terugbetaling van griffierecht aan appellant.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen de opschorting van zijn inschrijving in de basisregistratie personen wordt ongegrond verklaard.