ECLI:NL:RVS:2018:2956
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging invorderingsbesluit dwangsom recreatiewoning wegens onvoldoende bewijs niet-recreatief gebruik
Het college van burgemeester en wethouders van Opmeer legde op 1 april 2016 een last onder dwangsom op aan [appellante] om het niet-recreatief gebruik van recreatiewoningen te beëindigen. Bij controles bleek dat sommige woningen werden bewoond door arbeidsmigranten, wat niet is toegestaan volgens de beheersverordening. Het college vorderde vervolgens de dwangsommen in.
[Appellante] stelde dat haar bezwaar tegen het besluit tijdig was ingediend en betwistte het niet-recreatieve gebruik van een van de recreatiewoningen ([A]). De rechtbank verklaarde haar bezwaar niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de termijn en wees haar beroep af. De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt deze uitspraak voor zover het gaat om de woning [A], omdat het college onvoldoende bewijs leverde dat deze woning niet-recreatief werd gebruikt.
Daarnaast vernietigde de Afdeling het invorderingsbesluit gericht aan de rechtsopvolger [partij] wegens het niet horen van deze partij voorafgaand aan de invordering, zoals vereist op grond van artikel 4:8 Awb Pro. Hoewel het besluit werd vernietigd, bleven de rechtsgevolgen in stand omdat de inhoudelijke bezwaren van [partij] niet slaagden.
De Afdeling legt het invorderingsbedrag voor [appellante] vast op € 25.000,00 en veroordeelt het college tot vergoeding van proceskosten aan zowel [appellante] als [partij].
Uitkomst: Het invorderingsbesluit voor één recreatiewoning wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs, het besluit tegen de rechtsopvolger wegens schending hoorplicht, maar de overige invorderingen blijven in stand.