ECLI:NL:RBAMS:2025:10449

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
AMS 23/3161
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:41 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaarschrift niet-ontvankelijk wegens niet tijdige ontvangst door bestuursorgaan

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van zijn aanvraag om bijzondere bijstand voor Waternetkosten. Het college heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaarschrift niet tijdig was ontvangen. De rechtbank beoordeelt of deze niet-ontvankelijkverklaring terecht is.

De bezwaartermijn van zes weken begon op 24 december 2022 en eindigde op 3 februari 2023. Eiser stelde het bezwaarschrift op 25 januari 2023 te hebben gedeponeerd in de brievenbus van het college, maar kon dit niet onderbouwen met bewijs zoals een foto of verklaring van een derde. Het college ontving het bezwaarschrift pas op 20 maart 2023.

De rechtbank oordeelt dat het risico van niet-tijdige ontvangst bij eiser ligt, omdat hij koos voor bezorging zonder aangetekende verzending. De enkele verklaring van eiser is onvoldoende om tijdige ontvangst aannemelijk te maken. Er zijn geen omstandigheden die de niet-ontvankelijkverklaring achterwege laten. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat het bezwaarschrift niet tijdig door het college is ontvangen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 23/3161

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. C.M.E. Schreinemacher),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, het college
(gemachtigde: mr. S.S. Kisoentewari).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of het college eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn bezwaar tegen de afwijzing van zijn aanvraag om bijzondere bijstand voor zijn Waternetkosten.
2. Het college heeft bij besluit van 23 december 2022 de aanvraag van eiser om bijzondere bijstand voor zijn Waternetkosten afgewezen (het primaire besluit).
3. Eiser heeft tegen het primaire besluit bij brief van 25 januari 2023 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 24 april 2023 heeft het college het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard (het bestreden besluit).
4. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
5. De rechtbank heeft het beroep gelijktijdig met de beroepen van eiser die zijn geregistreerd onder de nummers AMS 23/5811 en AMS 23/6769 op 11 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.

Overwegingen

Toetsingskader
6. Op grond van artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken.
7. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
8. Op grond van artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van een besluit door toezending of uitreiking aan de belanghebbende.
9. Een bezwaarschrift is op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen of, bij verzending per post, voor het einde van de termijn ter post is bezorgd mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
10. Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, moet het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verschoonbaar is. Dan laat het bestuursorgaan op grond van artikel 6:11 van Pro de Awb niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.
Beoordeling van de rechtbank
11. In geschil is uitsluitend de vraag of het college het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
12. De rechtbank stelt vast dat door partijen niet wordt betwist dat het primaire besluit op 23 december 2022 is ontvangen door eiser. Dat betekent dat de termijn van artikel 6:7 van Pro de Awb één dag na de ontvangst van het besluit door eiser is aangevangen, dus op 24 december 2022, en zes weken later, op 3 februari 2023, is geëindigd.
13. Eiser stelt dat hij zijn op 25 januari 2023 gedateerde bezwaarschrift op 25 januari 2023 zelf bij het stadskantoor van de gemeente heeft bezorgd en daarom tijdig bezwaar heeft gemaakt. Het college stelt, onder verwijzing naar de ontvangststempel op het bezwaarschrift, het bezwaar pas op 20 maart 2023 te hebben ontvangen. Volgens het college is het bezwaar daarom niet tijdig ingediend.
14. Uit vaste rechtspraak volgt dat de gevolgen voor de keuze voor een niet-aangetekende verzending van een bezwaarschrift voor risico van de indiener komen. [1] Verder volgt uit vaste rechtspraak dat het aan de indiener van het bezwaarschrift, die heeft gekozen voor het middel van bezorging in de brievenbus van het bestuursorgaan, is om aannemelijk te maken dat het bezwaarschrift op tijd is ontvangen. [2] In dit geval heeft eiser aangevoerd dat hij het bezwaarschrift op 25 januari 2023 in de brievenbus van het stadskantoor van de gemeente aan de [adres] te Amsterdam heeft gedeponeerd. Dit is door hem echter op geen enkele wijze onderbouwd. Een onderbouwing had bijvoorbeeld kunnen bestaan uit een foto van de deponering of een verklaring van een derde. De enkele verklaring van eiser dat hij het op 25 januari 2023 gedateerde bezwaarschrift diezelfde dag in de brievenbus heeft gedeponeerd is hiervoor onvoldoende.
15. Ter zitting heeft eiser nog toegelicht dat zijn inkomensconsulent telefonisch heeft laten weten dat, als het bezwaarschrift in de brievenbus van het college is gedaan, het vanzelf op zijn bureau terecht zou komen. Het college heeft betwist dat een dergelijk gesprek heeft plaatsgevonden. Ook als dit gesprek wel heeft plaatsgevonden, dan kan daaruit niet worden afgeleid dat het bezwaarschrift op 25 januari 2023 door het college is ontvangen. De opmerking van de inkomensconsulent ziet namelijk alleen op de gebruikelijke interne postverwerking en zegt niets over de daadwerkelijke ontvangst van dit specifieke bezwaarschrift.
16. Eiser heeft gelet op het voorgaande niet aannemelijk gemaakt dat het bezwaarschrift voor het verstrijken van de bezwaartermijn door het college is ontvangen. De rechtbank acht bovendien de stelling van het college dat het bezwaarschrift pas op 20 maart 2023 is ontvangen niet onaannemelijk. Onder deze omstandigheden komt het voor risico van eiser, die voor het middel van bezorging heeft gekozen, dat het bezwaarschrift niet op tijd is ontvangen.
17. Op grond hiervan oordeelt de rechtbank dat het bezwaarschrift niet op tijd is ingediend. Ook is niet gebleken van omstandigheden die ertoe leiden dat de niet-ontvankelijkverklaring achterwege moet blijven. Het beroep slaagt daarom niet.

Conclusie en gevolgen

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A.L. Wiersinga, rechter, in aanwezigheid van mr. J.J. Bakker, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vgl. CRvB 27 juni 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:762.
2.Vgl. ABRvS 12 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2956.