ECLI:NL:RVS:2018:2157
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- G. van der Wiel
- D.A. Verburg
- Rechtspraak.nl
Beoordeling moment van indiening opvolgend asielverzoek en recht op opvang
Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) wees een aanvraag van een vreemdeling om opvang af op grond van het moment van indiening van het asielverzoek. De rechtbank oordeelde dat het invullen en ondertekenen van het kennisgevingsformulier model M35-O als formele indiening van een opvolgend asielverzoek geldt, waardoor recht op opvang ontstaat. Het COa stelde in hoger beroep dat recht op opvang pas ontstaat bij het indienen van het formulier M35-H, conform artikel 3.118b van het Vreemdelingenbesluit 2000.
De Raad van State overwoog dat het begrip aanvraag in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) inhoudt dat een belanghebbende een verzoek doet aan het bestuursorgaan om een besluit te nemen. Het invullen en ondertekenen van model M35-O voldoet hieraan en kan niet worden genegeerd omdat het model M35-H daarna volgt. De Afdeling verwees naar eerdere jurisprudentie die dit bevestigt. Daarnaast past dit stelsel binnen het Unierecht, waarbij de Procedurerichtlijn lidstaten toestaat onderscheid te maken tussen het kenbaar maken en het indienen van een asielverzoek.
De grief van het COa faalt, omdat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het invullen van model M35-O het moment van indiening van het asielverzoek markeert en daarmee het recht op opvang ontstaat. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het COa is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan de vreemdeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van het COa wordt ongegrond verklaard en de rechtbankuitspraak bevestigd dat het invullen van model M35-O het moment van indiening van een opvolgend asielverzoek is en recht op opvang creëert.