Uitspraak
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Inleiding
.Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaande afmelding niet ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
.Eiser stelt vervolgens dat de beslistermijn voor zijn asielaanvraag na vijftien maanden is geëindigd op 28 oktober 2023. Verweerder is sinds die datum in verzuim en de ingebrekestelling van 21 november 2023 is daarom terecht en niet prematuur ingediend. Eiser heeft vervolgens meer dan twee weken later en dus niet prematuur beroep wegens niet tijdig beslissen ingesteld. Het beroep is daarom gegrond.
Mengesteabvan het Hof van Justitie. [8] Het Hof heeft daarin overwogen dat artikel 20, tweede lid, van de Dublinverordening - ondanks veel overeenkomsten - verschilt van artikel 6, vierde lid, van de Procedurerichtlijn, welke laatste bepaling - zoals beschreven in rechtsoverweging 5.4 van deze uitspraak - van belang is voor het bepalen van het begin van de beslistermijn van een asielaanvraag. Volgens het Hof van Justitie dienen beide bepalingen geplaatst te worden binnen de context van twee verschillende procedures, die elk hun eigen eisen hebben en met name wat betreft de termijnen aan verschillende regelingen zijn onderworpen, zoals volgt uit artikel 31, derde lid, van de Procedurerichtlijn.