ECLI:NL:RVS:2018:1986
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.E.M. Polak
- S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt
- F.D. van Heijningen
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke toetsing ontgrondingsvergunning Sellingerbeetse met MER-plicht en provinciaal beleid
Het college van gedeputeerde staten van Groningen verleende op 28 september 2017 een ontgrondingsvergunning voor zandwinning op de locatie Sellingerbeetse, inclusief een uitbreiding van ongeveer 17,5 hectare. Camping De Papaver B.V. en anderen stelden beroep in tegen dit besluit en tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de camping en anderen belanghebbenden zijn bij het besluit, gelet op hun feitelijke gevolgen en eerdere jurisprudentie. De kern van het geschil betrof de vraag of een milieueffectrapport (MER) verplicht was, waarbij de camping stelde dat de drempelwaarde van 25 hectare was overschreden en dat het college ten onrechte onderscheid maakte tussen zandwinning uit landbodem en waterbodem.
De Afdeling overwoog dat het onderscheid tussen droge en natte winning terecht is gemaakt, aangezien het begrip dagbouwmijn volgens de m.e.r.-richtlijn en het Besluit m.e.r. alleen betrekking heeft op winning uit de landbodem die bij zomerpeil droog is. De oppervlakte van de bestaande plas (ongeveer 28 hectare) wordt daarom niet meegerekend voor de m.e.r.-plicht. De uitbreiding van 17 hectare valt onder de drempelwaarde, zodat geen MER-plicht geldt, maar wel een m.e.r.-beoordelingsplicht. Het college had de aanvraag niet buiten behandeling mogen laten, maar de Afdeling paste artikel 6:22 Awb Pro toe omdat de camping niet benadeeld was.
Verder oordeelde de Afdeling dat het college de vergunning redelijk heeft verleend in overeenstemming met provinciaal beleid, dat de noodzaak van de uitbreiding aannemelijk is gemaakt, en dat de geldigheidsduur van 16 jaar passend is. Voorts zijn de voorschriften inzake afwerking en veiligheid toereikend. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit werd niet-ontvankelijk verklaard. De Afdeling veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de ontgrondingsvergunning wordt ongegrond verklaard en het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.