ECLI:NL:RVS:2017:3170
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- G.M.H. Hoogvliet
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Vaststelling duurzaam verblijfsrecht EU-burger en beoordeling middelenvereiste
De staatssecretaris wees de aanvraag van een vreemdeling om een document te verkrijgen dat haar duurzaam verblijfsrecht als EU-burger bevestigt, af omdat zij niet kon aantonen dat zij gedurende vijf jaar over voldoende middelen van bestaan beschikte. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en bepaalde dat het document moest worden verstrekt.
De staatssecretaris ging in hoger beroep en voerde aan dat de rechtbank ten onrechte oordeelde dat het middelenvereiste niet consequent werd toegepast vóór april 2015 en dat het arrest Ziolkowski en Szeja duidelijk maakt dat het duurzaam verblijfsrecht afhankelijk is van het voldoen aan het middelenvereiste. De Raad van State bevestigde dat het middelenvereiste onlosmakelijk verbonden is aan het duurzaam verblijfsrecht en dat het niet voldoen daaraan uitsluit dat een verblijfsdocument wordt verstrekt.
De vreemdeling stelde dat het onredelijk was om met terugwerkende kracht bewijs te leveren van middelen, mede vanwege haar persoonlijke omstandigheden, en dat inkomsten uit zwart werk als middelen zouden moeten gelden. De Raad van State verwierp deze bezwaren, stellende dat zwart werk geen legale inkomstenbron is en dat het middelenvereiste noodzakelijk is om onredelijke belasting van het sociale stelsel te voorkomen.
De Raad van State vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, waarmee de afwijzing van de aanvraag door de staatssecretaris stand hield.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit van de staatssecretaris tot afwijzing van de aanvraag voor een duurzaam verblijfsdocument blijft in stand.