ECLI:NL:RVS:2017:2984
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- G. van der Wiel
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vaststelling afwijzing aanvraag uitstel uitzetting op grond van artikel 64 Vreemdelingenwet 2000
De vreemdeling had een aanvraag ingediend op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 om uitstel van uitzetting te verkrijgen. Deze aanvraag werd door de staatssecretaris afgewezen, waarna de vreemdeling bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde bij de rechtbank. De rechtbank oordeelde dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd en vernietigde het besluit, waarna de staatssecretaris hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
In hoger beroep stelde de staatssecretaris dat het Bureau Medische Advisering (BMA) zorgvuldig en inzichtelijk had gehandeld bij het opstellen van het advies waarop het afwijzingsbesluit was gebaseerd. De rechtbank had dit onvoldoende erkend. De Afdeling stelde vast dat het BMA-advies van 15 april 2016 en de aanvulling van 11 november 2016 adequaat waren en dat de vreemdeling geen tegenbewijs had geleverd.
De Afdeling vernietigde daarom de uitspraken van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond. Het beroep van de vreemdeling werd ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard en het beroep van de vreemdeling ongegrond, waarbij eerdere rechtbankuitspraken worden vernietigd.