ECLI:NL:RVS:2016:969
Raad van State
- Hoger beroep
- M. Vlasblom
- N. Verheij
- R.J. Koopman
- Rechtspraak.nl
Gegrond verklaring incidenteel hoger beroep inzake recht op zorg- en huurtoeslag bij terugwerkende intrekking verblijfsvergunning
De zaak betreft het incidenteel hoger beroep van appellant A en appellante B tegen de Belastingdienst/Toeslagen inzake de herziening van toegekende voorschotten zorg- en huurtoeslag over 2012 en 2013. De Belastingdienst had de toeslagen voor deze jaren grotendeels vastgesteld op nihil vanwege het ontbreken van rechtmatig verblijf van appellant A na 11 december 2009, na intrekking van zijn verblijfsvergunning met terugwerkende kracht.
De rechtbank had het beroep van appellant A en B gegrond verklaard voor de periode van rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder h, van de Vreemdelingenwet 2000, maar oordeelde dat de periode tussen 11 december 2009 en 15 april 2010 geen rechtmatig verblijf opleverde, waardoor het recht op toeslagen verviel. De Belastingdienst handhaafde dit standpunt in hoger beroep.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelde echter vast dat de terugwerkende kracht van de intrekking verband hield met het beëindigen van het categoriale beschermingsbeleid en dat appellant A niet redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat de toeslagen ten onrechte werden verleend. De Afdeling oordeelde dat de periode van procedure over de intrekking als aansluitend op het eerdere rechtmatige verblijf moet worden beschouwd, waardoor appellant A recht heeft op zorg- en huurtoeslag over 2012 en tot 1 april 2013.
De Afdeling verklaarde het incidenteel hoger beroep gegrond, vernietigde het besluit op bezwaar niet, maar bepaalde dat de Belastingdienst een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd de Belastingdienst veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan appellant A en B.
Uitkomst: Appellant A heeft recht op zorg- en huurtoeslag over 2012 en tot 1 april 2013 ondanks terugwerkende intrekking van zijn verblijfsvergunning.