ECLI:NL:RVS:2016:1552
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- N. Verheij
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bewaring vreemdeling zonder zicht op uitzetting volgens Vreemdelingenwet 2000
De vreemdeling werd op 28 december 2015 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze bewaring ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Raad van State overwoog dat de rechtbank niet expliciet had beslist op het beroep dat er geen zicht op uitzetting zou zijn, maar dat dit geen reden tot vernietiging gaf. De Afdeling benadrukte dat artikel 59b Vreemdelingenwet 2000, dat de Opvangrichtlijn omzet, geen vereiste stelt dat er een redelijk vooruitzicht op uitzetting moet zijn om bewaring toe te passen.
Het Europees Hof van Justitie had in februari 2016 bevestigd dat deze bepaling geldig is en niet in strijd met het Handvest van de grondrechten van de EU. De Raad van State bevestigde dat de bewaring op grond van artikel 59b Vw 2000 niet onrechtmatig is, ook zonder zicht op uitzetting. Het hoger beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt kennelijk ongegrond verklaard en de bewaring bevestigd.