Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 oktober 2016 in de zaak tussen
Procesverloop
Overwegingen
(zware gronden):
- Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
- zich in strijd met de vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken.
- (lichte gronden):
- zich niet heeft gehouden aan voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van de Vreemdelingenwetgeving (zich niet direct heeft gemeld);
- zich niet aan één of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;
- geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
- verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
In dit verband is het arrest J.N. tegen Nederland van 15 februari 2016 (ECLI:EU:C:2016:84) van het Hof van Justitie voor de Europese Unie (HvJ-EU) van belang. In dit arrest is bepaald dat artikel 8, derde lid, van Richtlijn 2013/33/EU (de Opvangrichtlijn) niet in strijd is met artikel 5 EVRM Pro. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft uit dat arrest ook afgeleid dat zicht op uitzetting geen vereiste is voor oplegging van de maatregel op grond van artikel 59b van de Vw 2000. Die conclusie kan echter alleen getrokken worden in de situatie waarin wel al een terugkeerbesluit is genomen maar dat is geschorst, aldus eiser. Als zo’n terugkeerbesluit niet is genomen, is zicht op uitzetting dus wel vereist. Voor zover daaraan getwijfeld wordt, verzoekt eiser de rechtbank om prejudiciële vragen te stellen.
“Een ieder heeft recht op vrijheid en veiligheid van zijn persoon. Niemand mag zijn vrijheid worden ontnomen, behalve in de navolgende gevallen en overeenkomstig een wettelijk voorgeschreven procedure:
(f) in het geval van rechtmatige arrestatie of detentie van een persoon teneinde hem te beletten op onrechtmatige wijze het land binnen te komen, of van een persoon waartegen een uitwijzings- of uitleveringsprocedure hangende is.”
”65. [... U]ntil a State has “authorised” entry to the country, any entry is “unauthorised” and the detention of a person who wishes to effect entry and who needs but does not yet have authorisation to do so can be, without any distortion of language, to “prevent his effecting an unauthorised entry”. It does not accept that as soon as an asylum-seeker has surrendered himself to the immigration authorities, he is seeking to effect an “authorised” entry, with the result that detention cannot be justified under the first limb of Article 5 § 1 (f). To interpret the first limb of Article 5 § 1 (f) as permitting detention only of a person who is shown to be trying to evade entry restrictions would be to place too narrow a construction on the terms of the provision and on the power of the State to exercise its undeniable right of control referred to above. Such an interpretation would, moreover, be inconsistent with Conclusion no. 44 of the Executive Committee of the United Nations High Commissioner for Refugees’ Programme, the UNHCR’s Guidelines and the Committee of Ministers’ Recommendation (see paragraphs 34-35 and 37 above), all of which envisage the detention of asylum-seekers in certain circumstances, for example while identity checks are taking place or when elements on which the asylum claim is based have to be determined.
66. While holding, however, that the first limb of Article 5 § 1 (f) permits the detention of an asylum-seeker or other immigrant prior to the State’s grant of authorisation to enter, the Court emphasises that such detention must be compatible with the overall purpose of Article 5, which is to safeguard the right to liberty and ensure that no one should be dispossessed of his or her liberty in an arbitrary fashion.”
Discriminatie
Gevaar voor de nationale veiligheid of openbare orde onvoldoende gemotiveerd
Geen sprake van de b-grond (onttrekkingsrisico)
Beslissing
.