ECLI:NL:RVS:2014:4650
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- N. Verheij
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd bij gezinshereniging
De staatssecretaris heeft op 15 april 2013 een aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. De vreemdeling maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard, waarna zij beroep instelde bij de rechtbank. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna de vreemdeling hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de toepassing van het inkomensvereiste uit het Vreemdelingenbesluit 2000, dat is gebaseerd op de Gezinsherenigingsrichtlijn 2003/86/EG. De vreemdeling stelde dat de richtlijn niet op haar van toepassing was omdat haar echtgenoot naast de Vietnamese ook de Nederlandse nationaliteit bezit, en dat het nationale recht dat de richtlijn omzet ook in die situatie in overeenstemming met de richtlijn moet worden uitgelegd.
De Raad van State oordeelde dat het inkomensvereiste uit het Vreemdelingenbesluit 2000 inderdaad een omzetting is van de richtlijn en dat dit vereiste ook geldt voor aanvragen van vreemdelingen die verblijven bij een echtgenoot met de Nederlandse nationaliteit. De Raad volgde de uitleg van het Hof van Justitie in het arrest Chakroun en bevestigde dat het inkomensvereiste gelijk wordt toegepast bij gezinshereniging met een Nederlander of met een vreemdeling.
De grieven van de vreemdeling konden niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De Raad zag geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen en verklaarde het hoger beroep kennelijk ongegrond. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd met verbetering van de gronden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt kennelijk ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning bevestigd.