ECLI:NL:RVS:2014:2979
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- H. Troostwijk
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vernietiging besluit inreisverbod vreemdeling wegens onvoldoende motivering
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag die het besluit tot inreisverbod tegen de vreemdeling heeft vernietigd. Het oorspronkelijke besluit van 5 juli 2011 verklaarde de vreemdeling ongewenst, waarna een bezwaar gegrond werd verklaard en het inreisverbod werd uitgevaardigd.
De staatssecretaris klaagde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat het terugkeerbesluit van 4 augustus 2006 zonder betekenis was omdat de vreemdeling niet uit Nederland kon vertrekken, en dat het inreisverbod op dit terugkeerbesluit kon worden gebaseerd. Ook voerde hij aan dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd waarom geen humanitaire of andere redenen bestonden om af te zien van het inreisverbod.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank terecht had vastgesteld dat het terugkeerbesluit een vertrekplicht inhoudt, maar dat het inreisverbod niet deugdelijk was gemotiveerd. De staatssecretaris had niet adequaat gereageerd op de motivering van de rechtbank omtrent humanitaire redenen. Het hoger beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Daarnaast werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling en werd een griffierecht opgelegd. De uitspraak bevestigt het belang van een zorgvuldige motivering bij het opleggen van inreisverboden en de toetsing door de bestuursrechter.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.