ECLI:NL:RVS:2014:2018
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking toevoeging rechtsbijstand wegens overschrijding heffingvrij vermogen
Bij besluit van 29 december 2011 heeft de raad voor rechtsbijstand een aan appellant verleende toevoeging voor rechtsbijstand met terugwerkende kracht ingetrokken. Dit betrof een toevoeging voor hoger beroep inzake een boedelscheiding. De intrekking was gebaseerd op het feit dat appellant als resultaat van deze procedure een vordering van €115.431,77 had, wat meer dan 50% van haar heffingvrij vermogen van €23.564 bedroeg.
Appellant voerde aan dat het resultaat nihil was omdat zij in eerste aanleg kosten had gemaakt die door derden waren voorgeschoten en die zij moest terugbetalen zodra zij over gelden zou beschikken. Ook stelde zij dat het vonnis in eerste aanleg niet executabel was en dat er zwaarwegende omstandigheden waren die intrekking van de toevoeging moesten verhinderen.
De Raad van State oordeelde dat alleen het resultaat van de procedure waarvoor de toevoeging was verleend relevant is en dat kosten uit eerdere procedures niet in mindering mogen worden gebracht. Verder zijn zwaarwegende omstandigheden alleen aanwezig indien de vordering oninbaar is, wat hier niet het geval was. De rechtbank heeft het standpunt van de raad gevolgd en het hoger beroep van appellant ongegrond verklaard.
De uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant wordt bevestigd en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De intrekking van de toevoeging voor rechtsbijstand wordt bevestigd en het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard.