ECLI:NL:RVS:2018:1462
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking toevoeging gesubsidieerde rechtsbijstand wegens overschrijding normbedrag
De zaak betreft het hoger beroep van appellante tegen het besluit van de raad tot intrekking van een eerder verleende toevoeging voor gesubsidieerde rechtsbijstand in een boedelscheidingsprocedure. De intrekking is gebaseerd op artikel 34g van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb), omdat het financiële resultaat van de zaak hoger is dan het normbedrag van €12.218,50.
Appellante voerde diverse formele en inhoudelijke bezwaren aan, waaronder schending van beginselen van behoorlijk bestuur, onjuiste belangenafweging, en onterechte uitsluiting van kosten van een deskundige bij de resultaatbeoordeling. Ook stelde zij dat een betaling van de ex-echtgenoot niet in mindering was gebracht op het financiële resultaat en dat de intrekking in strijd was met de redelijkheid en billijkheid.
De Raad van State oordeelt dat de raad voldoende heeft gemotiveerd, dat de procedure zorgvuldig is verlopen en dat de belangenafweging strikt wettelijk is voorgeschreven zonder ruimte voor discretionaire beoordeling. De kosten van de gemachtigde kunnen niet als deskundigenkosten worden afgetrokken. De betaling van de ex-echtgenoot is geen onderdeel van het definitieve financiële resultaat zoals vastgesteld in het vonnis. Het geringe overschrijden van het normbedrag vormt geen zwaarwegende omstandigheid.
Daarom is het hoger beroep ongegrond verklaard en is de intrekking van de toevoeging bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de intrekking van de toevoeging bevestigd.