ECLI:NL:RVS:2014:1393
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Opheffing vrijheidsontnemende maatregel wegens onrechtmatige voortzetting na afwijzing asielaanvraag
Bij besluiten van 23 februari 2014 werd aan de vreemdeling de verdere toegang tot Nederland geweigerd en een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd, die vervolgens werd voortgezet. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, waarna hij hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De vreemdeling stelde dat de voortzetting van de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig was omdat de relevante Europese Terugkeerrichtlijn niet volledig in het nationale recht was geïmplementeerd en hij niet de terugkeerprocedure zou ontwijken of belemmeren, mede omdat hij in het bezit was van geldige paspoorten.
De Raad van State oordeelde dat na de afwijzing van de asielaanvraag het rechtmatig verblijf van de vreemdeling was geëindigd en de Terugkeerrichtlijn op hem van toepassing was. De nationale wetgeving implementeerde echter niet volledig artikel 15 van Pro deze richtlijn. De vrijheidsontnemende maatregel mag alleen worden voortgezet indien de vreemdeling de voorbereiding van terugkeer of verwijdering ontwijkt of belemmert.
De Raad van State concludeerde dat de feiten en omstandigheden, waaronder het bezit van geldige paspoorten en het ontbreken van aanwijzingen dat de vreemdeling de terugkeerprocedure zou belemmeren, geen grond boden voor voortzetting van de maatregel. Daarom werd de maatregel opgeheven, werd een vergoeding toegekend en werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De vrijheidsontnemende maatregel werd opgeheven en de vreemdeling kreeg een vergoeding toegekend.