ECLI:NL:RVS:2016:3283
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vrijheidsontnemende maatregel na intrekking asielaanvraag bij grensweigering
De vreemdeling werd op 4 augustus 2016 bij de grensdoorlaatpost Schiphol de toegang tot Nederland geweigerd omdat hij niet beschikte over een geldig visum of verblijfsvergunning en onvoldoende middelen van bestaan. Na intrekking van zijn asielaanvraag legde de staatssecretaris een vrijheidsontnemende maatregel op en een inreisverbod.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en kende hem schadevergoeding toe. De staatssecretaris stelde hoger beroep in met de klacht dat de rechtbank ten onrechte oordeelde dat er geen risico op onttrekking was en dat de maatregel terecht was opgelegd onder het oude wettelijke regime.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de nieuwe regelgeving sinds 20 juli 2015 het risico op onttrekking als grond voor vrijheidsontneming heeft geïmplementeerd. De staatssecretaris had echter onjuist het zesde lid van artikel 6 Vreemdelingenwet Pro 2000 toegepast terwijl de asielaanvraag was ingetrokken, waardoor het juiste wettelijke kader niet werd gevolgd.
Desondanks faalde de grief omdat de maatregel inhoudelijk terecht was opgelegd op grond van het eerste en tweede lid van artikel 6 Vreemdelingenwet Pro 2000. De Afdeling bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De vrijheidsontnemende maatregel is terecht opgelegd en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.